Bekijk je eigen topicsBekijk je eigen berichten

Bendle Berichten

Bendle Berichten

Berichtdoor Yvonne » za 19 sep 2015, 12:59

Aangezien jullie de Bendle berichten niet kunen openen ga ik ze hier in het geheel plaatsen, is wel een werk voor mij, maar ik doe het graag, want bv is het volgende artikel wel interesant voor leden onder ons...

Het grote ongemak van 'vechten' tegen kanker

Het is een vijand waartegen je moet vechten en als je dan hebt gewonnen, ben je een overlevende. Als we het hebben over kanker, gebruiken we al snel oorlogstaal. Daar zijn terecht bezwaren tegen.

Twee jaar geleden schreef de Amerikaanse Lisa Adams, columniste bij de onlinekrant The Huffington Post, een blog over 'de stomste dingen die mensen zeggen tegen kankerpatiënten'. Adams (borstkanker met uitzaaiingen) kreeg vele honderden reacties en zo ontstond een lijst met botte opmerkingen:

'Nou ja, die borsten heb je toch niet echt nodig.'
'Joh, ik dacht je van een chemokuur afviel?'
'Als iemand deze ziekte kan verslaan, ben jij het.'
'Met een positieve houding heb je de strijd al half gewonnen.'
'Sterk zijn, hard vechten, niet opgeven hoor!'
Adams stierf op 6 maart dit jaar, 44 jaar oud, en ze liet vooraf instructies achter, in het prachtige gedicht When I die. Niet zeggen dat ze verslagen was, niet doen alsof ze niet hard genoeg had geprobeerd. 'Als ik dood ga, vertel dan de waarheid. Ik heb geleefd, ik ben gestorven, dit is het einde.'

Een opmerkelijk pleidooi in een land waar patiënten die kanker overleven survivors heten en T-shirts dragen met teksten als It came, we fought, I won. Een land waar upper-survivor en fietslegende Lance Armstrong nog altijd de beeldvorming rond de ziekte domineert met zijn slogan: 'Er zijn twee opties, opgeven of je kapot vechten.'
Kanker is oorlog; er bestaat geen andere aandoening waar de militaire woordenpraal zo rond galmt als bij de keizer aller ziektes. Met kanker als de bezetter, de patiënt als dappere soldaat en de medicijnen als magische kogels.

Ooit horen zeggen dat iemand de strijd aangaat met zijn hartkwaal of zijn beroerte?
De Amerikaanse retoriek is ook hier neergedaald. We staan op tegen kanker in een jaarlijkse televisie-show, we fietsen met tienduizenden de Alpe d'Huez op onder het motto 'Opgeven is geen optie' en we doneren geld omwille van de leus 'Love life. Fight cancer.'
Ik doe ook mee. En ik dacht altijd dat ik daar goed aan deed. Kanker als de vijand: het is een veelgebruikte metafoor in populair-wetenschappelijke artikelen over kanker. Ingewikkelde studies over immunotherapie werden frisser en duidelijker als ik schreef dat een leger T-cellen de lichaamseigen defensie versterkt en de kankercellen aanvalt. Het kwam me ooit te staan op een reprimande van Ivan Wolffers, arts en kankerpatiënt, die opmerkte dat patiënten niet zitten te wachten op zo'n strijdtoneel in de krant.
Tikje fijngevoelig, dacht ik aanvankelijk. Het woord 'handicap' is ook al taboe (Nee! Het is een beperking) en toen ik ooit over 'autisten' schreef, kreeg ik woedende brieven. Wat is er mis met een beetje ferme taal als het over zo'n ellendige ziekte gaat?

Ik sla er de kanker-biografie van de Amerikaanse oncoloog Siddharta Mukherjee op na en lees hoe kanker een oorlog werd. Het moment is tot op de dag nauwkeurig te herleiden: op 9 december 1969 plaatste een groep lobbyisten paginagrote advertenties in The New York Times en The Washington Post, een oproep namens de natie aan president Nixon om kanker te genezen. De tekst was doorspekt met verwijzingen naar die andere, echte oorlog die Nixon aan het voeren was, de oorlog in Vietnam. Met dit verschil: deze nobele oorlog was te winnen, als er maar genoeg geld voor zou komen.

Nixon reageerde, tekende twee jaar later de National Cancer Act en stelde anderhalf miljard dollar beschikbaar voor de zoektocht naar een medicijn. Kanker, schrijft Mukherjee, was in klap veranderd van een verzwegen ziekte in een aanvaller die in de volle schijnwerpers stond.
Kanker als de vijand, het werd een gouden marketingformule, een krachtig beeld om fondsen te werven. Een vijand die ons allemaal zomaar kan aanvallen: het appelleert aan een angst die de portemonnee doet trekken. Goed, gewonnen is er nog helemaal niks, maar dankzij al die opgehaalde miljarden is er toch wetenschappelijke vooruitgang geboekt.

Het duurde niet lang of de oorlogskreten bereikten ook het ziekbed. De kankerpatiënt werd een held, omdat hij moedig de behandelingen doorstond, en heette bij succes opeens een overlevende, een term die tot dan toe was gereserveerd voor slachtoffers van een echte oorlog.
En ja, dat voelt erg ongemakkelijk, zegt Ivan Wolffers, als ik hem erover bel. Het zijn vooral woorden van buitenstaanders, zegt hij, woorden die troost moeten geven maar slechts machteloosheid verhullen. 'De samenleving is als de dood voor kanker, dus dan komt de oorlog om de hoek kijken. Dat maakt het gerechtvaardigd om heel drastisch in te grijpen, om bijvoorbeeld aan screening te doen waarbij we veel mensen onnodig ongerust maken om er een te redden. Redden, dat woord wordt ook zo makkelijk gebruikt.' Een T-shirt met I'm a cancer survivor komt er bij hem uiteraard niet in. 'Ik wil niet bij de kankerclub. Ik wil geen oorlog voeren en niet de kans lopen dat ik die strijd verlies.'

Daar blijkt bij nader inzien niks fijngevoeligs aan: de kritiek van Wolffers vindt steun in tal van wetenschappelijke artikelen, waarin oncologen, psychologen en taalkundigen de militaire retoriek bij kanker afwijzen. Niet omdat het zo sneu is voor patiënten, maar omdat oorlogsmetaforen schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid.
Want als kanker alleen maar kan worden overwonnen door te vechten, wat betekent dat dan voor de mensen die eraan overlijden? Hebben die niet genoeg hun best gedaan? Het kan ertoe leiden dat patiënten zich ontoereikend voelen of zichzelf de schuld geven. Of druk gaan voelen omdat ze in de rol van vechter worden geduwd en daardoor vaker kiezen voor een agressieve behandeling.

Niet alle patiënten denken er trouwens zo over, wat de wetenschappelijke conclusies wat doen wankelen. Stel Peter Kapitein, mede-oprichter van Alpe d'Huzes, dezelfde vraag als Ivan Wolffers en er komt een ander antwoord. Kapitein genas van lymfklierkanker en zegt: 'Het doorstaan van behandelingen en het overleven van kanker is een strijd, een harde strijd.' Toen Britse wetenschappers blogs en forumdiscussies over kanker naplozen, ontdekten ze dat veel patiënten zelf ook strijdtaal gebruiken. Het geeft ze een doel, het gevoel dat ze iets kunnen doen tegen hun ziekte. En misschien, wie weet, helpt de kracht die ze daardoor opdoen ook nog een beetje.

Er is een ander bezwaar tegen de oorlogsmetafoor: kanker neerzetten als de vijand geeft een volkomen verkeerd beeld van de ziekte. Het suggereert dat er sprake is van een tactiek, van controle, terwijl het verschil tussen leven en dood uiteindelijk een kwestie is van puur geluk, of botte pech.
Veertig jaar geleden was het begrip over kankerbiologie nog beperkt. Inmiddels is duidelijk dat de metafoor volkomen mank gaat. Er is helemaal geen belager, geen binnendringer. Een tumor bestaat uit onze eigen, ontspoorde, cellen: de kankerpatiënt is zijn eigen vijand.

De oorlog tegen terrorisme of tegen drugs is mogelijk nog te winnen, schreef de Britse hoogleraar Michel Coleman een paar jaar geleden in het Journal of Cancer Policy: 'Je kunt je misschien een wereld voorstellen waarin door een uitbraak van gezond verstand onrechtvaardigheid is verdwenen en terrorisme is weggevaagd, maar ik kan me het menselijk ras niet voorstellen zonder dna, dat soms fouten maakt die onze cellen niet kunnen repareren.'

Al die kritiek heeft de beeldspraak niet aangetast. Dat heeft ook zijn voordelen. Als het effectief is om veel geld op te halen door de oorlog uit te roepen, dan hebben patiënten daar baat bij. Vandaar dat de metafoor zich, veertig jaar na de introductie, uitbreidt naar andere ziekten. Overleden ALS-patiënten roepen vanaf billboards op om door te gaan met hun strijd. President Obama heeft ook de oorlog tegen alzheimer afgekondigd. KWF

Kankerbestrijding heeft zich wel aangepast en is een paar jaar geleden van slogan gewisseld. 'Samen voorop in de strijd', kwam de organisatie op commentaar van patiënten te staan. Nu wordt naar neutrale formuleringen gezocht. De nieuwste leus: 'Samen komen we steeds dichterbij'.
Wie een Survivor-shirt wil dragen, verdient begrip, maar we moeten ophouden om al die andere kankerpatiënten een soort heldendom op te dringen. Ik bewonder mijn zwager Huib, die gruwelijke chemokuren doorstaat, maar zeg niet hij aan het strijden is, want dan begint hij te lachen. Hij wil leven, kan hij anders? Alsof er iets te winnen valt, zegt hij: er valt hooguit iets niet te verliezen.

Laten we ook beter overdenken wat we op papier zetten. Als de taal van de oorlog faalt om de ziekte juist te omschrijven, dan hoort die taal niet in de krant thuis. Is er een alternatief? Beeldtaal is niet verboden bij kanker, dat laat Ivan Wolffers zelf zien. In zijn boek Als de tijd voor altijd stil zou staan vergelijkt hij het kwaadaardige gezwel in zijn lichaam met een luidruchtige inwonende oom die de rest van het gezin domineert.
Toen een taalwetenschapper in de Britse krant The Guardian artikelen over kanker ontleedde, ontdekte ze vijftien verschillende metaforen. Kanker als oorlog, uiteraard, maar ook kanker als puzzel of als een detectiveverhaal, met samenzweringen, good guys en bad guys. Nu duidelijk wordt dat elke tumor uniek is en kankerbehandelingen maatwerk worden, verandert het beeld. Vooruitzien, dat is wat artsen doen, steeds een nieuwe zet bedenken totdat de opponent geen kant meer op kan. Er dringt zich een nieuwe metafoor op: kanker als schaakspel.

CAMPAGNE VOOR FIGHT CANCER
De Volkskrant daagt jonge reclamemakers uit om een paginagrote advertentie voor een goed doel te maken. Dit jaar is dat Fight cancer.
Voor het derde jaar op rij daagt de Volkskrant, onder de vlag Creative Press Challenge, reclamemakers uit om een goededoelenorganisatie een printcampagne te bezorgen. Opdracht: druk de essentie van dat goede doel uit op één krantenpagina. Aan de eerste twee edities deden ruim honderd jonge creatieven, werkzaam bij Nederlandse reclamebureaus, mee. Doelen waren respectievelijk Free Press Unlimited en de Stichting voor Vluchtelingstudenten; dit jaar gaan de jonge reclamemakers proberen om de identiteit van het goede doel Fight cancer terug te brengen naar een pagina.
Fight cancer wil bewustwording van deze ziekte stimuleren, een grotere betrokkenheid bij kankerbestrijding realiseren en jongvolwassenen aansporen om echt in actie te komen, dingen te organiseren om geld in te zamelen, en in die zin te 'vechten' tegen kanker. Alle fondsen worden via KWF Kankerbestrijding gedoneerd aan kankeronderzoek in Nederland.
'In print heb je maar één kans om je doelgroep te overtuigen', vindt reclamemaker Thijs Biersteker, die het idee voor de wedstrijd bedacht. 'Een printadvertentie is dan ook de ultieme toets of het idee, de boodschap achter een multimediale campagne, klopt. Een slecht idee kun je in print niet verbergen.'
De makers van de winnende advertentie worden geïnterviewd in de Volkskrant en de advertentie wordt in december in deze krant geplaatst. Ook wordt hun bijdrage ingestuurd naar het Cannes Lions Festival of Creativity (de Oscars van de reclame).
De moeilijkste mensen zijn je grootste leraren

Afbeelding
Avatar gebruiker
Yvonne
moeder van TFC
moeder van TFC
 
Berichten: 16535
Geregistreerd: wo 21 sep 2011, 10:14
Woonplaats: Vlissingen

Delen op:

Delen op Facebook Facebook Delen op Twitter Twitter

Re: Bendle Berichten

Berichtdoor jasmin » za 19 sep 2015, 20:41

:goodpost
Afbeelding
Avatar gebruiker
jasmin
ArchAngel
ArchAngel
 
Berichten: 15037
Geregistreerd: ma 24 okt 2011, 19:19

Re: Bendle Berichten

Berichtdoor Yvonne » wo 23 sep 2015, 09:53

CBS onderzoekt voor het eerst welvaart én welzijn

Geluksvogels: jong stel zonder kinderen


De levenskwaliteit in Nederland is gemiddeld hoog maar zeer ongelijk verdeeld. Er gaapt een groot gat tussen de groep Nederlanders die het materieel zeer goed heeft, gezond en gelukkig is (eenderde) en de groep die het op die drie fronten flink tegenzit (eenkwart).
Twintigers met een relatie zonder kinderen scoren het hoogst in levenskwaliteit, alleenstaande ouders met jonge kinderen het laagst.
Dit blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar de levenskwaliteit van de Nederlandse bevolking. Het is voor het eerst dat het CBS bij de meting van het welbevinden van de bevolking zowel welvaart als welzijn onderzocht. Er zijn immers veel factoren die de kwaliteit van een leven bepalen.

Het belang van welzijn daarin wordt steeds meer erkend en wordt ook steeds meer als onderdeel van overheidsbeleid gezien, stelt hoofddemograaf Jan Latten van het CBS. 'Je komt er niet gemakkelijk meer mee weg burgers in inkomen te laten stijgen, als tegelijk bijvoorbeeld de kwaliteit van en de toegang tot gezondheidszorg achteruitgaan. In het maatschappelijk debat kijkt men niet alleen naar het welvaartspeil, maar ook of er wordt geïnvesteerd in een beter welzijn van burgers.'

Dat geld niet alles zegt, blijkt alleen al uit de bevinding van het CBS dat de grootste bevolkingsgroep - de middelbaar opgeleiden - sinds de economische recessie weliswaar het meest aan welvaart heeft ingeboet, maar er onder hen toch nog steeds een even grote groep is die best tevreden is gebleven. 'Misschien zijn dat juist degenen voor wie het materiële minder zwaar telt.'

De grootste kans op een hoge kwaliteit van leven hebben hoogopgeleiden (hbo of wo) met een werkende partner. Vele geluksfactoren liggen dan binnen handbereik: een hoog gezamenlijk besteedbaar inkomen, financiële zekerheid middels een vaste baan, een koopwoning, gezondheid, liefdesgeluk, een grote regie over het eigen leven en sociale contacten.

De geringste kansen hebben lager opgeleide alleenstaanden. Deze, hoewel in omvang kleiner wordende, groep zal in de huidige kenniseconomie steeds kwetsbaarder worden. De werkloosheid onder laagopgeleiden is met 12 procent het hoogst. Van ruim de helft van de mensen met een uitkering is de levenskwaliteit slecht te noemen, onder bijstandsgerechtigden is dat percentage 75 procent.

Het ligt voor de hand dat jonge stellen het hoogst scoren in levenskwaliteit, stelt Jan Latten. De jonge generatie is hoger opgeleid dan ooit, heeft goede arbeidskansen en is het gezondst van alle volwassen leeftijdsgroepen. 'Ze staan aan het begin van alles wat bijdraagt aan een hoge levenskwaliteit: de liefde is nog vers, ze hebben veel loopbaankansen, ze zijn op zoek naar een koophuis; de wereld ligt voor hen open.' De groep onder twintigers die onder aan de ladder staat, laagopgeleid, vaker werkloos of alleenstaand is, is met 10 procent relatief klein, stelt Latten.

Alleenstaande ouders (90 procent moeders) scoren het laagst in levenskwaliteit. Deze groep krijgt het volgens Latten het zwaarst voor de kiezen omdat veel tegenslagen die een mens in zijn leven kan meemaken, tegelijk komen: verlies van de partner, fors kelderende inkomsten, verandering van sociale leefomgeving door verhuizing naar een sociale huurwoning, isolement. 'En daar komen vaak nog de spanningen van een echtscheiding bij, wat het welzijn negatief beïnvloedt.'

Opvallend in het onderzoek is verder dat veel minder alleenstaande mannen van boven de 65 zich eenzaam voelen, in vergelijking met tien jaar geleden. Mogelijk heeft dat te maken met de betere band van gescheiden vaders met kinderen en het langer doorwerken door ouderen, ook na de pensioengerechtigde leeftijd.

Vrouwen en mannen met de laagste levenskwaliteit ervaren hun positie beduidend anders. Vrouwen zijn gemiddeld veel gelukkiger met hun leven. Ook daar heeft Latten een verklaring voor: 'Werk en status zijn voor mannen bepalend voor hun welbevinden. Dus zullen zij meer dan vrouwen in de laagste inkomensgroepen last hebben van hun lage sociale status. Voor vrouwen zijn sociale contacten bepalend voor hun welzijn. Zij lijden minder onder een geringe welvaart zolang ze familie en vriendinnen om zich heen hebben.'
'We eten gezond, sporten, krijgen vrienden langs'
Wie Michiel Bakker (26, advocaat) en Sanne Grootveld (23, student)
Categorie 18 tot 30 jaar zonder kinderen
Volgens het CBS is dit de categorie met de grootste welvaart en meeste welzijn.

'We herkennen ons zeker in het beeld dat het CBS schetst. We wonen in een vrij ruim tweekamerappartement in het Regentessenkwartier in Den Haag. Dat betekent dat we er qua ruimte flink op vooruit zijn gegaan, want hiervoor woonden we allebei in een studentenhuis. Bovendien was het bij Michiel in huis vaak rumoerig, dus hier is het wat rustiger. Voorlopig blijven we nog huren, zeker tot de tijd dat we allebei een baan hebben. Maar met de toekomst zijn we nog niet zo bezig. We hebben nu veel vrijheid en leven ons leven. We hebben niet heel veel te besteden, maar kunnen eens per maand uit eten en we gaan regelmatig naar de film. Laatst zijn we nog naar een wijnproeverij geweest. Als we in de supermarkt zijn kopen we soms biologische producten, hoewel we nog wel op de aanbiedingen letten. We hebben nauwelijks fysieke of mentale klachten. We eten gezond, sporten, hebben wekelijks vrienden over de vloer die komen eten. Op dit moment hebben we niet veel meer nodig.'

'Van een villa in Spanje ging ik naar een flatje'
Wie Marjan Kesteloo, (53, maatschappelijk werkster)

Categorie alleenstaande moeder van drie kinderen van wie een zoon van 16 nog thuis woont.
Volgens het CBS heeft de grootste groep in deze categorie zowel een lage welvaart als een laag welzijn.
'Elf jaar geleden woonde ik nog in een mooie villa in Spanje met mijn drie kinderen en hun vader. We hadden vijf slaapkamers, twee badkamers en een zwembad. We keken uit op de Middellandse Zee. Nu woon ik in Nederland in een flat van tachtig vierkante meter. Gelukkig kijk ik nog uit op wat groen, maar als ik naar rechts kijk zie ik een andere flat. Het is natuurlijk een stuk kleiner dan wat ik had, maar het heeft m'n geluksgevoel niet negatief beïnvloed. Sterker nog, ik ben nu soms gelukkiger dan toen.

'Doordat ik een goede baan heb en in het begin behoorlijk wat alimentatie kreeg, kan ik voldoende besteden. Ik ben er financieel op achteruit gegaan, maar heb geleerd dat geluk niet in materie zit. En de zorg voor mijn kinderen deed ik altijd al grotendeels alleen, dus dat was geen extra belasting. Maar ik kan me voorstellen dat het welzijn voor sommige alleenstaande ouders wel wordt aangetast, zeker als ze in de bijstand zitten en nauwelijks iets te besteden hebben.'

Wie Henk van der Kamp (66) uit Velp
Categorie alleenstaande man 65+

Volgens het CBS is deze groep mensen minder eenzaam dan tien jaar geleden.
'Sinds onze scheiding zestien jaar geleden heeft mijn ex met beide kinderen nauwelijks tot geen contact meer, maar ik juist heel veel. M'n zoon heeft hier gisteravond nog gegeten. Ik mis soms alleen wel een partner. Een LAT-relatie zou voor mij ideaal zijn, want het wordt hier in huis misschien een beetje druk als er nog een vrouw rondhuppelt. Ik heb hier nogal veel spullen staan. Bovendien hecht ik veel waarde aan mijn vrijheid.

'Ik ben al een tijdje met pensioen omdat ik werkte met verstandelijk beperkten, wat erg zwaar was. Nu heb ik een AOW-uitkering en een klein pensioen; een deel wordt ingehouden en aan mijn ex uitgekeerd. Daardoor moet ik heel erg op de kleintjes letten. Ik zou graag wat royaler willen leven, weer eens naar het buitenland op vakantie gaan. Dat is jaren geleden.
'Eenzaam ben ik zeker niet. Het is niet zo dat mensen hier de deur plat lopen, maar ik heb goede contacten met de buren en ben secretaris van de Vereniging voor Alleengaande Kampeerders. Regelmatig ga ik met een club van dertig man kamperen. En ik word ook nog opa. Ik vermaak me wel.'
De moeilijkste mensen zijn je grootste leraren

Afbeelding
Avatar gebruiker
Yvonne
moeder van TFC
moeder van TFC
 
Berichten: 16535
Geregistreerd: wo 21 sep 2011, 10:14
Woonplaats: Vlissingen

Re: Bendle Berichten

Berichtdoor jasmin » vr 25 sep 2015, 21:15

:topic3
Afbeelding
Avatar gebruiker
jasmin
ArchAngel
ArchAngel
 
Berichten: 15037
Geregistreerd: ma 24 okt 2011, 19:19

Re: Bendle Berichten

Berichtdoor Yvonne » za 03 okt 2015, 14:38

'Ik ben uitgeschreeuwd'

Youp van ’t Hek, hoogste boom van het vaderlandse cabaret, is zachter dan mensen denken.

Van kwelgeest van Buckler ontwikkelde hij zich tot Nederlands leukste neefje. Een gesprek over ijdelheid, bijgeloof en alleen zijn. ‘Ik ben van dat cabaretiertje meer een filosoferend meneertje geworden.'

‘Ha, hier zit je.” Zijn dochter komt zijn Bergense stamcafé binnen. “Ik kwam even langs. Ik dacht: je bent vast boodschappen aan het doen.” Van ’t Hek (1954), fervent kluizenaar, is een boodschappen-fetisjist. Het breekt zijn dagen van opsluiting met krant, boeken, internet, poëzie van Szymborska en zijn voetbalplaatjesverzameling. En hij doet nog eens een ideetvoetbalplaatjesverzameling. En hij doet nog eens een ideetje op.

“Als Albert Heijn gek gaat doen, dan weet ik dat.” Hij werkt aan Licht, zijn nieuwe voorstelling, tot aan juni 2016 zo goed als uitverkocht. Het is een maand voor aanvang en Van ’t Hek heeft nog niks. “Is altijd zo. Het belangrijkste nu is alleen zijn. Ik trek me terug in mijn huis in Bergen. Ik lees, denk, schrijf veel ’s nachts. Heerlijke periode. Ik geloof in discipline. Ik kan op twaalf Sail-bootjes dobberen op ’t IJ, schnabbelen. Doe ik allemaal niet.”
Je bent al dertig jaar uitverkocht. Je leunt niet langzaamaan wat achterover?

“Juist niet. Ik vind het woord volhouden in mijn geval zo leuk. Het is bijna eng, dertig jaar volle zalen. Ik wil een mannetje blijven dat elke zaterdag gelezen wordt, over mijn column doe ik de hele vrijdag. Ik wil meedoen en ik wil dat een grote groep een behoorlijk goeie hekel aan me heeft.”
Waarom?

“Mijn vader zei: ‘Word geen middelmatige cabaretier. Het hoort erbij dat mensen een hekel aan je hebben.’ Ik lees tweets die men mij stuurt: kutcolumn, kutcabaretje. Dan ga ik kijken in zo’n tijdlijntje en denk ik: wat ben ik blij dat jij dat vindt.”
Wie is een middelmatige cabaretier?
“Ik ga geen namen noemen, want dat zou jij heel leuk vinden.

Maar je ziet ze heel veel. Kijk maar naar showpanels, tv-spelletjes.”
Is middelmatigheid een angst geweest?
“Vroeger wel. Ik wilde een gevoel uitdragen, mijn kleine filosofietje van leven: leef en verdoe je tijd niet met gezeur. En dat hoopte ik wél met een column in NRC Handelsblad te kunnen doen, en níet in De Telegraaf.”
Je bent erg anti-Telegraaf, maar bij je ouders thuis werd-ie wel gelezen.

“Dan wel, dan weer niet. We lazen veel kranten. Discussieerden veel en fel. Vriendjes dachten vroeger dat wij elkaar te lijf zouden gaan.”
Jouw zus Monique heeft aan zichzelf ‘moeten werken’ omdat ze zich hard vond in de omgang, iets wat ze had meegekregen in jullie gezin.
“Iedereen is een product van zijn opvoeding. Ik had een leuke vader, succesvol beleggingsdirecteur bij C&A, maar het was een felle man.

Het móet ook een beetje fel zijn. Mensen zitten ongelooflijk de wereld bij elkaar te liegen. De top van Imtech is ook weer met vier miljoen weg. Het is mijn werk dat soort ervan langs te geven. Dat zal hun naasten pijn doen, maar dat moet dan maar.

‘Mensen zitten ongelooflijk de wereld bij elkaar te liegen. Het is mijn werk dat soort ervan langs te geven.’

“Mijn andere doelstelling, uitdragen je leven optimaal te benutten, ontstond toen ik jong was en twee kinderen van zes en acht omkwamen bij een brand in Bussum. Dat heeft on-be-daarlijke indruk op mij gemaakt: twee witte kistjes en de vader met een mitella – hij was gewond geraakt bij de poging zijn kinderen te redden. Ik ging ontzettend nadenken over de dood. Eigenlijk veel te veel voor een klein kind. Nu zou ik zeker hulp hebben gekregen. Mijn eerste gedichtjes gingen er allemaal over. Ik ging steeds meer kijken naar wat mensen voor onzinnigs deden met hun tijd.”
Vonden jouw ouders dat wel gezond?

“Het meeste wisten ze niet, ik had op mijn kamer een dik gifgroen schrift, gekregen toen ik zeven was van een vriendin van mijn zus: ‘voor je gedichtjes’. Mijn doodsangst houdt me alert. Mijn kinderen dreunen soms op: ‘Ja papa, Schubert was 31 toen-ie doodging, Kafka 40.’ Voor die tijd moet je het doen, en je moet niet zeiken over bijzaken, de rijdende rechter in je tuin laten. Door mijn rare angsten doen we veel leuke dingen.”

Je ouders waren overtuigd katholiek. Jij wilde op je dertiende naar een priesteropleiding.
“Ik ging als misdienaar met de pastoor langs zieke mensen, dat vond ik mooi en zinvol. Ik moest en zou naar dat seminarie. Ik wilde mensen wat meegeven, preken, troost bieden. Misschien was het ook die verhoging, dat theatrale. Maar jezus, wat was het erg. Ik had enorme heimwee en heb me eraf laten trappen.”
Er zit iets heel menslievends, altruïstisch in jou?

Hij trekt een vies gezicht. Stilte. “Ja, oké. Dat zit er wel. Ik krijg redelijk veel post van mensen die mijn liedjes op de begrafenis van hun kind of moeder hebben gedraaid. Dan ben ik blij dat ik een puntje van de zakdoek heb kunnen zijn. Ik wil mensen absoluut raken in hun hart. Mijn geloof verdween rond m’n zeventiende. Vond mijn vader heel erg, wel zielig. Wat ik er heel mooi aan vind: er wordt over de essentie gedacht. Je wordt geconfronteerd met huwelijken, geboortes, doop en de dood. Ik ben blij dat ik veel begrafenissen heb meegemaakt als misdienaar. Begrafenissen worden zo weggestopt. Ik hou van rituelen. Met mijn gezin geven we dat nu vorm met bijzondere diners.

“Ik begrijp degenen die geloven en die niet geloven. Ik snap niet waarom ik hier ben, maar heb mezelf tot taak gesteld mensen te vermaken. Als de hele zaal lacht, dat is vervulling. En ik hoop dat mensen door mij iets vaker naar hun moeder gaan, iets aardigs doen voor hun vrouw, of juist zeggen: ik ben ongelukkig, trol die je bent, ik ga bij je weg.”

Het succes vervult je neem ik aan ook.
“Ik ben niet zo met het cabaretwereldje bezig, al ken ik iedereen. Wereldjes zijn niks voor mij. In 27 jaar ben ik één keer op een borreltje van de NRC geweest en toen dacht ik: hier kom ik nóóit meer. Ik geef geen en ga nooit naar premières. In dat opzicht heb ik een doodgewoon leven. Ik heb wel zo’n clubje BN’ers. Matthijs, daar lunch ik mee, dat is echt een goede vriend. Maar ik kijk niet zo naar mijn status.”

Kom op, in de documentaire Niemand weet hoe laat het is zeg je de beste van Nederland te willen zijn.
“Goed, ik wil meedoen. Maar er zijn mensen die nu boeken over me willen maken, ik merk dat ik dat niet echt wil. Waar ik ga spelen is het vol, dat is wel status. Maar ik heb geen stérrenstatus. De achterportier van Carré verbaast zich er altijd over dat er bij mijn shows nooit mensen staan te wachten. Er was ooit een vrouw die een fanclub wilde oprichten. Ik zei: veel succes ermee, ik ben er nooit.

“Buiten het theater wil ik heel veel uitstaan. Debby zegt weleens: als jij in een winkel bent, gaan alle mensen harder praten. Zo gauw ik het gevoel heb dat ik ergens aan moet voldoen, lollig zijn, houdt het op. Mijn kroegbezoek is ook bijna nul geworden. Mede door social media. Vroeger ging ik na een voorstelling nog weleens op de bar staan in een societeit met mijn oom Leo van 82.

Maar de intimiteit van zo’n moment moet niet op Twitter belanden.”
Je zit zelf op Twitter en hebt een Facebookpagina.
“Dat Facebook doet mijn kantoor.”
Ben je ijdel?
“Denk het wel. Maar kleding en imago interesseren me niet. Waarop mijn vrouw zegt: dat is ook weer imago.”
Je hebt anders een duidelijke stijl. Overhemd of shirt met een sportjackie, gympjes.
“Maar mijn All Stars heb ik ingeruild voor deze.”
Hij toont handgemaakte Italiaanse schoenen, daarin een gele en een groene sok.
“Van mijn kleinzoon afgekeken.”
Heb je weleens een andere bril overwogen?
“Eén keer gedaan, toen zeiden mijn kinderen: papa doe normaal, wat is er met je? En op een gegeven moment stond-ie nou eenmaal boven de column.”
Geef je veel geld uit aan je uiterlijk? Hoe duur is zo’n Youp-montuur?
“Van de financiële kant van mijn leven heb ik geen benul. Mijn privérekening loopt via Hekwerk, ik zie nooit afschriften. Mijn ijdelheid zit er meer in dat ik een goeie recensie leuk vind. Een slechte recensie slechte recensie irriteert wel effe. Soms denk ik: zo slecht was het niet vriend.”

‘Premières geef ik niet en ik ga er ook nooit heen. In dat opzicht heb ik een doodgewoon leven.’

Ben je bang te worden ingehaald door jongere cabaretiers?
“Misschien ben ik dat allang. Als ik naar Ronald Goedemondt kijk wel. Mijn publiek is ook oud aan het worden met mij. Maar ik hoor wel echt bij Nederland. Jochem Myjer vind ik leuk, Theo Maassen. Pieter Derks. Hij heeft nog met mij meegelopen. Sommige jonge cabaretiers doen maar wat. Wim Kan zei: als je leeft voor je programma heb je geen leven en als je niet leeft voor je programma heb je geen programma. Succesvol zijn is géén zeikerig wijf thuis hebben: ‘O, dan is mijn moeder jarig.’ Mijn schoonmoeder is nóóit jarig geweest. Het is altijd zin hebben. Het is in het nu zijn. Meebewegen. Cafés veranderen ook.”

Je krijgt juist vaak de kritiek in herhaling te vallen.
“En die snap ik. In Licht komt het weer: hou het licht, zeur niet, zeik niet. Dat heb ik al een keer verteld.”
Een keer? Elke keer.

“Bij Van Gogh denk je ook: veel zonnebloemen. Mijn tempo en ritme zijn wel veranderd. Ik ben van dat cabaretiertje meer een filosoferend meneertje geworden. Maar ik denk dat ik niet zoveel meer ben dan dit, dat ene verhaal. Als ik daarvan af zou stappen zouden mensen zeggen: vroeger kon-ie ons nog aan het lachen maken, toen snapte-ie ons nog. Ieder mens heeft een beperkt iets. Ik ben goed in een column, en een cabaretprogramma mét een pauze. Theo Maassen zegt altijd: pauze, man wat ouderwets.”
Hans Teeuwen is klassieke muziek gaan componeren.

“En zingt Sinatra, knap. Ik ga in Licht voor het eerst pianospelen, dat wel. Jonge cabaretiers zeggen soms: Youp hebben we wel gehad. Zo dacht ik ook toen ik begon: die ouwe lullen. Alleen: je moet nog wel dertig programma’s maken. Freek de Jonge liep in z’n eerste interviews ook op iedereen te hakken, nu is-ie zelf aan de beurt.”
Kan dat jou ook gebeuren?
“Nee, ik denk dat ik eerder weg ben. En ik maak geen 46 shows in een half jaar.”
Hoe intelligent ben je?

“Ik denk niet dat ik heel dom ben. Mijn vader was wel boos dat ik begon op het gymnasium, en dat dat de twaalfjarige mavo werd. Daarna heb ik nog twee dagen op de Kleinkunst gezeten. Moest ik een balletmaillot aan. Dat ging echt niet, was ook niet goed voor de maillot.”

Hoe zie je jouw rol in Nederland?
“Ik ben een beetje familie geworden. Het leukste edoch zeer irritante neefje. Ik bereik veel mensen. Soms hoor je: ‘Ik lees jou nooit meer, want vorige week had je het nog over...’ Ha! En ik ben nooit in een skybox gaan zitten. Ik ben heel erg onder het volk.”
Dat zeg je vaak, net als dat je straattaal spreekt, een jongen van de straat bent. Dat is natuurlijk onzin.
“Ik ben wel veel op straat. Maar het is inderdaad gelul. Ik heb hier een huis aan zee. Mijn huis in Amsterdam kijkt met zeven ramen het Vondelpark in. Maar ik weet vrij veel van mensen, ze beginnen tegen mij aan te praten alsof ik een vriend ben: ‘Hé Youp, gister...’ Ontroert me wel. En in die zin heb ik het gevoel dat ik vrij dicht bij het volk sta.”

Vind je het erg dat je een kakker bent?
“Nee, ik kom uit zo’n rijk nest. Dat weet ik, dat gebruik ik. Ik ken het Gooi van haver tot gort en andersom. Maar ik denk dat ik meer volk in de zaal heb dan men denkt.”
Toch, je beweegt je wel in een klein bolwerkje en preekt grotendeels voor eigen parochie bij de NRC en de VARAgids. Zou een column in De Telegraaf niet juist verfrissend van je zijn?
“Dat is een probleem in mijn leven. Ik zit al weet ik hoe lang bij Hekwerk, bij de VARA, bij Thomas Rap, bij NRC, bij Debby Petter, zo zit mijn leven in elkaar. Ik geloof in lange termijn. Niet in het snelle geld.”
Vanwaar die aversie?

“Jan Mulder die reclame maakt voor de Postbank kan nooit meer de banken aanpakken. Ik heb een aanbod gehad van Buckler: ‘Nu is het wél goed’ zou de tekst zijn. Had ik heel Bergen kunnen kopen. Men vraagt soms waarom ik niet naar RTL ga. Ik zou er niet tegen kunnen dat mijn cabaretje onderbroken wordt door drie reclameblokken. Je verminkt je product. Mensen haken ook af na zo’n reclame. Of als je te vaak op tv bent of met bepaalde media praat. Ik geef nooit interviews aan De Telegraaf en dergelijke, ga niet bij Linda de Mol zitten – met alle respect.”

Er is een fragment online terug te zien waar je met Shownieuws praat. Er wordt gevraagd naar de huwelijksproblemen die je had, een affaire. Toen werd je heel boos.
“Dat was dom van me. Ik maak natuurlijk vaak grappen over ongelukkige huwelijken. Logisch dat je dan gepakt wordt. Maar ik blijf meestal wel buiten die media-hoek. Toen ik op de Prinsengracht woonde, zat Santegoeds van Privé bij mij om de hoek. Als we bij de bakker stonden, zei ik: schrijf je het op Evert, een halfje bruin. De bladen fotograferen mijn huizen af en toe. En ze hebben een keer gezien dat ik heel veel wijn te verhuizen had.”
Drink je veel?
“Vroeger wel. Nu alleen bij vrienden. Ik leef gezond, sta twee keer in de week bij de sportschool, daar heb ik een aardige jongen.”
Een personal trainer bedoel je?

“Ja, Arnout heet-ie gewoon. De laatste tijd had ik echt gezeik met m’n gezondheid. Ik dacht dat ik moest stoppen. Hartritmestoornissen kun je à la minute krijgen, ook op het podium, daar word je ontzettend onzeker van. Ik was lang te bang voor een ingreep. Mijn broertje overleed na een standaard dotterprocedure. In mei kreeg ik het vijf keer achter elkaar. Toen zei de cardioloog: klaar, we gaan via je lies naar binnen en branden iets weg bij je hart. Ik was doodsbang. Maar ben helemaal herboren nu.”
Zijn mensen bang voor je?
“Volgens Debby wel.”

Is dat prettig?
“Ik realiseer het me niet. Ik doop mijn pen in mijn hart en schrijf een stukje, een lied. In het begin bij de NRC kreeg ik nog brieven. Nu wordt niemand meer boos op mij.”
Heeft ook iets flauws. Het is al vaker geconstateerd: jij kan dingen zeggen, Humberto Tan een Raboneger noemen, en dan is het leuk, en als Gordon het zegt is het fout.
“Ja... weet niet. Omdat iedereen weet hoe ik denk. Maar Debby zegt ook weleens over een column: hmm. Debby is méér dan mijn vrouw. We waren achttien en zestien toen we verliefd werden,

Is dat prettig?
“Ik realiseer het me niet. Ik doop mijn pen in mijn hart en schrijf een stukje, een lied. In het begin bij de NRC kreeg ik nog brieven. Nu wordt niemand meer boos op mij.”
Heeft ook iets flauws. Het is al vaker geconstateerd: jij kan dingen zeggen, Humberto Tan een Raboneger noemen, en dan is het leuk, en als Gordon het zegt is het fout.
“Ja... weet niet. Omdat iedereen weet hoe ik denk. Maar Debby zegt ook weleens over een column: hmm. Debby is méér dan mijn vrouw. We waren achttien en zestien toen we verliefd werden, toen trouwde ze een ander, toen weer samen, gedoe gehad, maar nu: top.”
Er komt een ambulance langs.

“Dat bedoel ik. Daar ligt toch iemand in. En dan zal je je leven maar hebben verdaan op een saai kantoor. Als je op het Frederiksplein in Amsterdam rondkijkt, heb ik overal gewerkt. Toen ik net begon met m’n cabaretje Nar. Westland Utrecht, Delta Lloyd, lijsten maken, tikken, en alleen maar weten: dit wil ik niet. Nooit. Bij mijn eigen bedrijf probeer ik een soort vrolijkheid te brengen. Ik vraag vaak zo’n meisje op kantoor: vind je het nog leuk?”

Wat aardig.
“Misschien ben ik wel aardig. Wil nog wel koffie eigenlijk.”
Hij bestelt zijn vijfde kop. Zijn koekjes moet de kelner aan de vogeltjes geven.
“Ik vind het eng om mijn geluk uit te spreken. In het EO-programma De Kist zei ik: er is me nog nooit iets gebeurd op gebied van de dood. Op de avond van de uitzending lag mijn broer op sterven. Ik zei tegen Debby: zie je wel, je moet het niet zeggen.”
Dus je bent bijgelovig?

“Zeer. Ik was op een begrafenis en daar stond een gigantische rij om de familie te condoleren. Ik dacht: hier ga ik niet op wachten, ik schrijf ze een brief. Ik keek op de klok, het was tien voor twee, en ik besloot mijn zieke moeder te bezoeken. Toen ik in het verzorgingshuis kwam, werd ik door de receptioniste gecondoleerd. Mijn moeder was overleden. Hoe laat? Tien voor twee. Er is geen god die mij die kant op gestuurd heeft. Maar het is wel gebeurd.

“Voor een show moet ik altijd een paar dingen: tanden poetsen. Geen mensen om me heen. Me pas absurd laat verkleden. Als ik hoor ‘nog twee minuten’, dan doe ik het overhemd in m’n broek.”
Dit is ook iets wat jij heel erg belachelijk zou kunnen maken.
“Tja.”
Voldoe jij aan je eigen maatstaf?
“Gedeeltelijk.”
Raoul Heertje zei onlangs in dit blad: Youp, vertrek in godsnaam een keer écht naar Parijs in plaats van het dertig jaar te roepen.
“Misschien dat we na Licht gaan. Wellicht trap ik in dezelfde valkuil als de burgerlul die alles uitstelt tot zijn pensioen. Je hebt ook het onontkoombare.”
En word je zelf dat risicoloze broodtrommeltje.
“Tuurlijk ben ik te vangen op inconsequenties. Over het algemeen leid ik een individueel leven, het had misschien iets meer rock-’n-roll mogen zijn. Maar als ik dat risicoloze gevoel krijg gaat ’t wel kriebelen. Dan kruip ik effe in mezelf terug. Dan draai ik heel hard muziek, vaak klassiek. Ik ben vaak en graag alleen.”
Wat vind je daar fijn aan?
“Rust. Op een filmpje van mijn vader zie je zijn zeven kinderen hockeyen, ik sta verderop, drie jaar oud, in m’n eentje te brabbelen. Is nooit veranderd. Heerlijk. Wakker worden, naar buiten kijken, niemand zegt: zullen we? We zullen niks. Ga ik uren dwalen door platenzaak Concerto. Boodschappen doen. Of naar de Amy Winehousefilm. Juist in gezelschap verveel ik me snel. Ik weet niet.”
Dat zeg je vaak: weet ik niet.
“Misschien wil ik dingen niet benoemen. Want de volgende keer dat ik alleen ben, ga ik daar dan weer over malen. Ik denk veel over mezelf na, over hoe lang ik nog in dat theater zal staan, ik wil nog een oudejaarsconference doen. Of over dingen die ik níet wil: in Ranking the Stars. Met andere echtparen een weekendje naar Lochem. Lid worden van een beleggingsclubje. Een windjack.”
Ben je weleens depressief?

“Ja. Ik moet oppassen. Ik ben het met veel depressieve mensen eens dat het bestaan zo zinloos is. En ik word af en toe ook heel somber als ik zie wat er in en vanuit de Arabische wereld gebeurt. Toen Theo van Gogh fulltime bezig was met geitenneukers roepen, zei ik al: dit gaat niet goed. Charlie Hebdo vond ik onverstandig en niet geestig. Er zit een valse hond aan een ketting, en die zit je de hele tijd te pesten. Op een gegeven moment rukt die zich los.”
Jij kiest ervoor niet meer alles te zeggen.

“Nee. Het is jammer, maar ik zie dat er te veel idioten zijn waar ik niet meer mee in discussie kan.”
Afgezien van extremisten pak je ook Hell’s Angels en hooligans niet meer aan.
“Twee keer heb ik daar flinke bedreigingen door gehad. Daar ga ik toch geen klappen voor krijgen of voor dood?”
Is het eerlijk dat de een de wind van voren krijgt en anderen buiten schot blijven?
“Wie ik aanpak, kan zichzelf wel verdedigen. Het is gewoon een egoïstische afweging die ik heb gemaakt. Ik hoef geen held te zijn. Het is ook gewoon mijn werk. Daarboven staat mijn familie. We moeten een nieuwe vorm vinden voor beledigen. Je kunt beter een heel goeie grap maken over IS zonder dat je ze noemt. Ook als er iets ernstigs gebeurt als MH-17 moet je uitkijken vind ik, komt ook door mijn leeftijd. Ik schreeuw steeds minder, ook thuis.”
Waarom?

“Ik ben uitgeschreeuwd, hees. Na Buckler kwamen er enorme rijen voor de theaters. De politie moest ze in banen leiden. En voor aanvang hoorde ik al in het theater: Tsjakka! Youpie! Dat was ik in die tijd: ‘Godverdomme ga eens leven! Neuken!’ Op een avond zetten ze zelfs de wave in. Daar werd ik zó verdrietig van. Ik wou er bijna mee stoppen. Mijn boodschap was overgenomen door een groep die ik juist op de korrel nam. Zij namen het letterlijk: ‘Gaan we lekker levuh!’ Met mijn oud-impresario Joop Koopman ben ik een andere tone of voice gaan zoeken. Die heel grove stijl had ook niet langer moeten duren, dan zou ik een strovuurtje zijn geweest. Ik heb bewust een deel van het publiek, al die grote ‘Youpie’-groepen, mijn zaal uitgeflikkerd.”
Toch werden enkele jaren later kaarten van je oudejaarsconference opgekocht en voor astronomische bedragen doorverkocht aan die grote groepen. Daar moest je zelfs publiekelijk om huilen.

“Mij raakte het zo dat ik geworden was wat ik niet wilde: dat personeelsverenigingen, skyboxen, directies van bedrijven naar mij toe wilden. Ik wíl helemaal geen publiek dat vierhonderd euro voor een kaartje heeft betaald. Mijn boekjes zijn altijd 8, 9 euro. Iedereen moet bij mij naar binnen kunnen.”
Het raakt je nu weer.

“Ja. Je geselt ze met hun skyboxen, en dan zit het toch vol met nouveaux riches – het oude geld niet hoor, die komen niet. Ga golfen in Schotland! Een mislukking, een heel intens soort verdriet. Ik ben die clown. Ik wil jou aan het lachen maken. Maar ik wil je ook ontroeren, troosten, een lekker gevoel geven. En ik wil niet dat jij voor een dichte deur staat en de volgende dag op je werk hoort: de directie is wél met z’n allen geweest. Ik was ook bang dat mensen zouden zeggen: zie je wel, hij is gewoon te koop voor die lui.”
Ben je zachter dan mensen denken?

“Dat denk ik wel. Dat men mij harder inschat door m’n columns. Veel mensen die mij leren kennen, zeggen: ik had je heel anders ingeschat, lawaaieriger.”
Is het dan een kunstje? Is je verontwaardiging wel echt?
“Ja. Maar misschien zijn er twee Youps, die lopen door elkaar heen. Al is tegen sommige dingen schoppen gewoon standaard repertoire. Het beledigen van Willem-Alexander bijvoorbeeld. Hij weet dat ook. Ik heb hem een paar keer ontmoet, heel aardige jongen is het.”
Je was toch republikein?
“Ze moeten het gewoon allemaal afschaffen natuurlijk. Maar Wim-Lex is een lieverd, weet ik veel. Die jongen kan nergens zitten. Misschien is hij zelf ook republikein, dat-ie te lief is en denkt: ik heb het mijn ouders nou eenmaal beloofd. Zou toch geweldig zijn, dat-ie na de kersttoespraak z’n kroon afzet en zegt: nu is het klaar.”
De moeilijkste mensen zijn je grootste leraren

Afbeelding
Avatar gebruiker
Yvonne
moeder van TFC
moeder van TFC
 
Berichten: 16535
Geregistreerd: wo 21 sep 2011, 10:14
Woonplaats: Vlissingen


Keer terug naar Brabbelbord

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast